Dir. J.A. de Vries, 1963-1966, vertrouwde de proefwerkcijfers niet en liet de heren Beuskens en Nijs alles opnieuw nakijken. Dat werd een klap. De zevens werden 3en en 4en, en de 3en en 4en werden goede voldoendes. De Beer beweerde altijd, dat hij zonder te corrigeren wist wat zijn leerlingen waard waren.
Toen in 1968 Jos Klaber, die bevorderd was naar A4, maar, de wet kennende toch in B4 plaatsnam, noemde de Beer dat een Jodenstreek. Dat leidde zelfs tot Kamervragen.